Schadeatlas

30/01/2015

2015 - week 5 - schadeatlasDe Vlaamse Erfgoedbibliotheek pakt uit met de Schadeatlas bibliotheken, een hulpmiddel bij het uitvoeren van een schade-inventarisatie volgens de Universal Procedure for Library Assessment (UPLA). Aan de hand van UPLA en de nieuwe schadeatlas, kunnen bibliotheken een degelijk overzicht opstellen van de schade aan de boeken in hun collecties, wat op zijn beurt moet leiden tot een verantwoord en duurzaam behouds- en beheerplan voor de toekomst.

In de Schadeatlas bibliotheken worden 22 veelvoorkomende soorten schade opgesomd en geïllustreerd, en dit op vier niveaus: schade aan de boekband, aan de boekconstructie, aan het boekblok, en biologische schade. Stof, rode rot, ontbrekende delen, beschadigde bindingen, oude reparaties, scheuren, vervilting, verkleving, verzuring, foxing, inktvraat, schimmelschade en plaagdierschade… Bij elk type averij wordt een korte beschrijving gegeven, met daarbij informatie over oorzaken en over eventueel risico op materiaalverlies of nieuwe schade bij verdere raadplegen van de boeken.

inktvraat

Door inktvraat vallen de letters uit dit 14de-eeuwse cisterciënzermissaal (Brugge, Openbare Bibliotheek, Ms. 312 I) [Lees dit bericht op onze WordPressblog om deze afbeelding te zien.]

De Schadeatlas bibliotheken is een initiatief van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek in samenwerking met het Nederlandse Bureau Metamofoze (Nationaal Programma voor het Behoud van het Papieren Erfgoed). De auteur, Marijn de Valk, is zelfstandig restaurator van historische boeken en werkt al jaren samen met o.a. de Openbare Bibliotheek van Brugge. De Schadeatlas kan gratis besteld worden en zelfs digitaal geraadpleegd worden op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek.

Een schadeatlas had makkelijk een saai en droog werk kunnen worden, maar deze publicatie is een streling voor het oog dankzij boeiende foto’s, frisse kleuren en een heldere pagina-indeling. Een extra pluim op de hoed van de auteur, de fotograaf, de redactie en de vormgevers dus!

Advertenties

Jan van der Hoeven

23/01/2015

B_OB_17.1076_000voorplatrEind 2014 overleed de Brugse dichter Jan van der Hoeven. Jan van der Hoeven werd in 1929 in Brugge geboren uit Nederlandse ouders. Hij was licentiaat in de geschiedenis, doceerde tot 1992 Nederlands en geschiedenis aan het VTI te Brugge, maar was bovenal een dichter, een taalkunstenaar.

Hij debuteerde in 1957 met de experimentele dichtbundel Projektieschrijven. De bundel werd positief onthaald en reeds twee jaar later verscheen Te woord staan, een bundel die tot zijn beste werk gerekend wordt. In totaal publiceerde Jan van der Hoeven elf poëziebundels, waaronder drie bundels met humoristische gedichten. Twee werken werden bibliofiel uitgegeven: Voor en na Swimberghe (1971) en Anarchipel (1977). Deze laatste bundel bevat een ets van Luc Peire, een kunstenaar die van der Hoeven bewonderde. De Openbare Bibliotheek Brugge digitaliseerde de bundel en plaatste hem op www.flandrica.be. Met zijn poëzie werd van der Hoeven – na de vijftigers – tot de tweede generatie experimentele dichters gerekend. In 2000 publiceerde Renaat Ramon bij het Poëziecentrum een bloemlezing uit zijn werk.

Jan van der Hoeven beperkte zich niet tot poëzie. Hij maakte deel uit van de redactie van talrijke tijdschriften. In 1955 was hij medewerker van het Brugse tijdschrift Basia een dichtschrift voor jongeren, dat na twee jaar stopgezet werd. Hij publiceerde er enkele gedichten, een sprookje en literaire kritiek. In 1956 was hij medewerker aan de Tafelronde, een literair tijdschrift dat in 1953 was opgericht door Paul Lebeau en Paul de Vree. In 1963 was hij – samen met onder meer zijn neef Paul de Wispelaere – oprichter van Diagram, een tijdschrift voor progressieve literatuur. Hij publiceerde er poëzie en literaire kritieken. Hij schreef teksten voor theater, voor radio en televisie, catalogi, kunstboeken, enz. Zijn werk kende vele vertalingen en Jan van der Hoeven ontving vijf literaire prijzen.

Jan van der Hoeven maakte deel uit van de Brugse kunstgroep Raaklijn. Raaklijn werd in 1956 opgericht door Paul de Wispelaere, Fernand Traen, Herman Sabbe en Gilbert Swimberghe. De groep wilde Brugge kennis laten maken met de avant-gardekunst. Ze organiseerde tentoonstellingen, lezingen, happenings, concerten, filmvoorstellingen en projecten rond architectuur en literatuur.

In 1990 werkte hij – op vraag van uitgever Marc van de Wiele – mee aan het fotoboek Brugge een onvoltooide droom. Als historicus schetste hij in de inleiding de geschiedenis van de stad, als dichter leverde hij de teksten bij de prachtige beelden van de Bretoense fotograaf Loïc Hamon.

Jan van der Hoeven was in het verleden regelmatig te gast in onze bibliotheek. Hij werd 85 jaar.


De Wandelende Jood in een onbekend Brugs drukje

15/01/2015

HF679De wandelende jood staat voor onrust, het onvermogen om tot rust te komen, het doelloos zwerven. Deze thematiek van  leven zonder uitzicht op verlossing gaat terug op een legendarisch bijbels verhaal. Op weg naar Golgotha, met het zware houten kruis op zijn schouder, sprak Jezus een jood aan met de vraag om even in zijn huis te mogen op adem komen. De jood weigerde waarop Jezus zijn weg vervolgde met de woorden: “Ik zal rusten, maar jij zult rondtrekken zolang de wereld bestaat”.

Dit thema  leefde sterk  in de middeleeuwen en blijft tot op vandaag voortleven in literatuur, kunst en volksleven. In deze traditie wordt de wandelende jood vaak Ahasverus genoemd en is hij schoenmaker van beroep. De Nederlandse neerlandicus Jos Gielen (1898-1981) onderzocht in 1931 de verspreiding van deze  legende, en brak op deze manier een lans voor wat hij noemde “de komparistiese  letterkundige wetenschap”. August Vermeylen (1872-1945) zorgde in 1906 met zijn roman “De wandelende jood”  voor de meest bekende literaire bewerking in ons taalgebied.

Gielen wijst in zijn onderzoek op het belang van het volksboek dat in 1602 het licht zag, en nog hetzelfde jaar “in 20 uitgaven” verscheen. In een aantal edities wordt de naam van de enigmatische bewerker toegevoegd, Chrysostomus Dudulaeus. De wandelende jood vond verder zijn weg in liederen en in de mondelinge vertelcultuur. De zwervende Ashaverus kon overal opduiken, zoals eens op de marktboot die Brugge met Sluis verbond. Hij kaartte er met onder meer een boer uit Oostkerke die met boter en eieren op en af naar Brugge reisde. Hij bleef onverstoord: “hij kan alleen maar diep zuchten, want het einde van de wereld is nog niet in ’t sicht”.

Dit soort volksverhalen lijkt terug te gaan op een orale cultuur met wortels in een ver verleden. Sommige onderzoekers delen deze opvatting niet en wijzen op het belang van geschreven en gedrukte versies die steeds opnieuw de orale cultuur voeden. Zaak is deze gedrukte bronnen op het spoor te komen, want het gaat vaak om goedkope volksboekjes waarvan vandaag geen exemplaren meer zijn bewaard.

Dit geeft het belang aan van een klein boekje dat vorig jaar werd aangeboden door het Parijse antiquariaat Jammes en nu deel uitmaakt van onze collectie (opvraagbaar in leeszaal, HF 679): ‘Histoire admirable du juif errant’.  Het is een Franse versie van het verhaal van de wandelende jood, dat volgens het impressum op het titelblad in 1761 werd gedrukt door Andreas Wydts in Brugge.

Dit recent verworven drukje is heel bijzonder. Gielen was in 1931 bekend met twee edities van deze Histoire admirable, beide door Wydts gedrukt in 1710. Van de tweede editie (48 p.) was hem in 1931 slechts één exemplaar bekend, met name in de privéverzameling van de Antwerpse volkskundige Emile Van Heurck (1871-1931). Wydts was een belangrijke Brugse drukker tijdens de eerste helft van de 18de eeuw die opeenvolgende werkplaatsen runde in de Breidelstraat, het hart van het Brugse boekenbedrijf, en overleed in 1749… Het STCV repertorieert 57 edities die in de jaren 1711-1749 van zijn pers kwamen.

Het nieuw verworven boekje behoort tot een editie waarvan tot nu toe geen exemplaren bekend waren. De drukker Andreas Wydts is mogelijks Andreas jr., waarvan verder geen zelfstandig drukwerk is bekend. Vader Andreas Wydts gaf soms werk uit met het impressum “Andreas Wydts en zoon”; in enkele drukken wordt een zoon met naam genoemd, weliswaar met de voornaam Johannes.

Het is uitgesloten dat het jaartal in het impressum, 1761, een vergissing is. De vertelstof wordt immers in de mond gelegd van de wandelende jood zelf, die in 1760 een kerkdienst bijwoonde in het Duitse plaatsje Salen. Daar trok hij, “un homme avec une grande barbe, fort vieux”, de aandacht van de bisschop van Sleeswijk die de vreemde man bij hem uitnodigde. Na de gezamenlijke maaltijd stak de vreemde man van wal met zijn levensverhaal. In deze versie blijkt ‘de wandelende jood’ samen met Jezus te zijn opgegroeid en krijgen we uiteraard het verhaal van de wereldwijde omzwervingen te horen. Na afloop, “en faisant une profonde révérence à toute  la compagnie, il se remit en marche”.

Een klein boekje waarover het laatste woord nog niet gezegd is.


Fonds Kring voor Zeevaart en Overzeese Belangen

09/01/2015

Fonds Zeevaart en Overzeese BelangenWil je iets weten over het koloniale verleden van België, de maritieme geschiedenis van Brugge of over havens wereldwijd ? Dan kan het fonds van de Kring voor Zeevaart en Overzeese Gebieden in onze erfgoedbibliotheek waarschijnlijk een antwoord op jouw vraag geven.

Deze collectie werd verworven door aankoop in 1998 via de toenmalige voorzitter van de kring, ir. Joseph Sioen. Een ander deel van het archief van de kring wordt bewaard in het Liberaal Archief te Gent.

De Kring voor Zeevaart en Overzeese Belangen (oorspronkelijk Koloniale en Zeevaartkring / Cercle Colonial et Maritime) werd in 1921 opgericht te Brugge. In de statuten van de vzw lezen we: “…. de  studie en de verspreiding der koloniale en maritieme gedachten te bevorderen . De koloniale en maritieme kring zal zijn doel betrachten met regelmatig voordrachten, tentoonstellingen en bezoek van havens in te richten, met aan de jonge lieden de noodige inlichtingen over ambten en betrekkingen in de kolonie en bij de zeevaart te verstrekken, met aan de oud-kolonisten allen mogelijken steun te verlenen.”

De kring is een serviceclub, met een informatiebalie, een bibliotheek en een klein museum dat zich in de Keersstraat (zijstraat van de Philipstockstraat, huidige Verenigde Protestantse Kerk ’t Keerske) bevond. De bibliotheek werd later ondergebracht in het toenmalige stedelijke domein “Huis Sebrechts” in de Beenhouwersstraat, waarna ze haar definitieve plaats kreeg in onze bibliotheek.

De pioniers van de kring zijn: Joseph Muylle (voorzitter van MBZ), Baron Karl van Caloen en Pierre Van Damme (burgemeester van Brugge). Momenteel houdt de kring, met als huidige voorzitter baron Jean-Pierre van Zuylen van Nyevelt, nog steeds lezingen over diverse landen.

Het fonds KZOB bevat 939 werken uit de periode van 1837 tot 1964. Inhoudelijk zijn de boeken over de Belgische kolonies Belgisch-Kongo en Ruanda-Urundi (het huidige Rwanda en Burundi ) prominent aanwezig. Ze handelen over hun geschiedenis, cultuur, economie en talen. De werken en kranten over het ontstaan van de haven van Zeebrugge en de talrijke werken, zowel technisch als historisch, over diverse havens in onze continenten nemen het tweede deel van dit fonds in. De havens van Constanta, Valparaiso, São Paolo, Tianjin, Shanghai, Calcutta, Tanger, Helsinki, Aalborg, Odense, Baltimore, San Francisco zijn een greep uit deze collectie!


Een Engelse kolonie in het 19de-eeuwse Brugge: voordracht

30/12/2014

B_OB_MS004

Lori Van Biervliet publiceerde regelmatig in tijdschrift “Biekorf” over de Engelse kolonie in het 19de-eeuwse Brugge. Duizend Britten vestigden zich toen in Brugge en hadden een grote invloed op het stadsbeeld met Engelse winkels, fancyfairs en neogotische architectuur. Aanleiding voor deze lezing is het 125-jarig bestaan van het tijdschrift “Biekorf”. Hoofdredacteur Ludo Vandamme leidt de lezing in met de bewogen geschiedenis van het tijdschrift.

Donderdag 22 januari om 20u
Hoofbibliotheek Biekorf (leeszaal)
€ 5 (Vrienden Biekorf en abonnees Biekorf: gratis)
i.s.m. tijdschrift “Biekorf”

 


Flavius Josephus over de historische Jezus

24/12/2014

Jezus werd geboren in een stal in Bethlehem. Dat is één van de gebeurtenissen in het leven van de religieuze figuur Jezus, die we kennen met dank aan religieuze bronnen zoals het Nieuwe Testament. Over de levensloop van de historische figuur Jezus weten we echter bitter weinig. In een klein aantal niet-religieuze geschriften uit de eerste eeuw na Christus staan enkele vermeldingen die zouden kunnen verwijzen naar deze persoon. De belangrijkste en oudste bron hierbij is de “Oude geschiedenis van de Joden” door Flavius Josephus, een joodse kroniekschrijver. De kroniek vertelt het wedervaren van het joodse volk tussen 536 voor Christus en 73 na Christus. Flavius Josephus schreef dit werk pas in 93 of 94 na Christus, en was dus zelf geen ooggetuige van alle gebeurtenissen in zijn relaas. In de laatste hoofdstukken van de kroniek staan twee passages waarin mogelijk verwezen wordt naar de historische Jezus.

De Openbare Bibliotheek Brugge bezit een prachtige middeleeuwse kopie uit ca. 1200 van de Latijnse vertaling van de kroniek, de “Antiquitates Judaicae”.  Dit handschrift is waarschijnlijk afkomstig uit de cisterciënzerabdij van Ter Doest in Lissewege.

Op folio 38v van handschrift 393 vinden we de meest beroemde passage, die bekend staat als het Testimonium Flavianum. Het is een kleine paragraaf in het hoofdstuk over de opstanden van de joden onder Pontius Pilatus. In het Latijn staat er in ons handschrift: “Fuit autem isdem temporibus Ihesus sapiens vir, si tamen virum eum nominare fas est. Erat enim mirabilium operum effector et doctor hominum eorum qui libenter que vera sunt audiunt; et multos quidem iudeorum, multos etiam ex gentibus sibi adiunxit. Christus hic erat. Hunc accusatione primorum nostre gentis virorum cum Pylatus in cruce agendum esse decrevisset, non deserverunt hi qui ab inicio eum dilexerunt. Apparuit enim eis tercio die iterum vivus. Secundum quod divinitus inspirati prophete vel hec vel [f. 39r, niet op foto] alia de eo innumera miracula futura esse predixerant. Sed et in hodiernum christianorum qui ab ipso nuncupati sunt et nomen perseverat et genus.

Flavius Josephus 1

(De Nederlandse tekst volgens F. Meijer en M. Wes uit 1998: “In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. En veel Joden alsook velen van de Grieken bracht hij tot zich. Hij was de Christus. Ook nadat Pilatus hem op aanwijzing van de eerste mannen bij ons de straf van het kruis had opgelegd, gaven zij die het eerst in liefde waren gaan leven niet op. Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderlijke dingen over hem gezegd. Tot op de dag van heden is de naar hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.”)

Onder andere door de aanwezigheid van typisch christelijke termen en concepten wordt er ernstig getwijfeld aan de authenticiteit van deze passage. Na grondig tekstkritisch en contextueel onderzoek zijn de meeste wetenschappers het erover eens dat de oorspronkelijke woorden van Flavius Josephus zijn aangevuld en aangepast door latere christelijke kopiisten. In onze cisterciënzerkopie in handschrift 393 heeft de kopiist de naam van Christus in rode letters geschreven.

De tweede beroemde passage is korter en minder specifiek, maar (daardoor?) ook geloofwaardiger. In het hoofdstuk over de joden onder procurator Albinus wordt gewag gemaakt van de steniging van “de broer van Jezus, die Christus wordt genoemd, wiens naam Jacobus is” (“fratrem Ihesu, qui dicitur Christus, nomine Iacobum”, Ms. 393 f. 65v, vanaf de vijfde regel op deze foto). Dit citaat wordt wél als authentiek beschouwd en kan gelden als een verwijzing naar de historische Jezus.

Flavius Josephus 2


Twee is geen een: een kerstliedje, of twee?

19/12/2014

KerstliederenIn de loop van 2013 schonk de voormalige Brugse stadsmolenaar Jozef De Waele een verzameling van 47 muziekboekjes, daterend uit de periode van 1905 tot 1953, zowel met als zonder partituur, aan de Openbare Bibliotheek Brugge. Eén ervan is een “Leergang van harmonie in twaalf lessen” van K.P. Mariesen uitgegeven door A.-J. Witteryck te Brugge in 1909. Verder gaat het overwegend om uitgaven van het Vlaams Nationaal Zangverbond, het Davidsfonds en andere verenigingen die het Vlaamse lied en het zingen bij de Vlamingen via het onderwijs, het verenigingsleven, de huiskring en samenzangavonden wilden (her)inburgeren. Maar ook De Vlaamsche Zanger (1920, 1930), het Liederboek der Vlaamsche Studenten (1943), Skoon Suid-Afrika (ongedateerd), Turnersvreugde (1911) en Goud-Gele Garve (1935) zijn kenmerkende titels.

In een klein, dun boekje (H 14,50 – B 10 – D 0,10 cm) uit de schenking, met als titel “20 kerstliederen voor ons volk” (1950) is, onder nr. 20, “Herders op!” te vinden, een kort kerstliedje (4-verzige strofe met refrein), dat mogelijk aansluit bij een liedje genoteerd in Torhout door de Brugse volksliedverzamelaar Roger Hessel.

Het Torhoutse liedje verscheen onder de titel “Kerstlied” in het boek “Het volkslied in West-Vlaanderen”, dat Roger Hessel in eigen beheer publiceerde te Brugge in 1980. Het boek is te vinden in onze magazijnbibliotheek onder nr. 50-3922. De auteur noteerde het liedje bij zijn tante Marie Jacques in Torhout. Aangezien haar slechts één strofe bekend was, werd aangenomen dat het om een éénstrofig lied ging:

Waar waar waar dat kindje gezocht
Een straal van ’s hemels klaarheid?
Gaat tot Maria aan ’t kribje gezind
Haast j’om te groeten het goddelijk kind (vers 3 en 4 worden herhaald).

De tekst van het liedje “Herders op!” luidt als volgt :

Herders op! ’t Is middernacht
Komt wilt niet langer slapen.
Op! De goede herder wacht
En roept u, zijne schapen. 

Refrein :

Gaat tot Maria naar ’t kribje gezwind
Haast u te groeten het goddelijk Kind (2x).

De gelijkenis van dit refrein met vers 3 en 4 uit “Waar waar waar” is treffend. Beide teksten kunnen perfect op dezelfde mooie, door Roger Hessel vermelde melodie gezongen worden. Als men vers 1 en 2 van “Waar waar waar” herhaalt, worden vers 3 en 4 hetzelfde refrein als in “Herders op!”. Het kàn de bedoeling geweest zijn vers 1 en 2 te herhalen (hoewel de zegspersoon dat volgens de muzieknotatie niet deed), ofwel ontbreken bij haar een vers 3 en 4. In elk geval zijn de verzen 3 en 4 van “Waar waar waar” dezelfde als die van het refrein van “Herders op!” en worden ze bovendien op dezelfde melodie gezongen.

Het lijkt voor de hand te liggen dat we hier met eenzelfde kerstlied te maken hebben. Een tweede mogelijkheid is dat er een andere tekst werd gemaakt op dezelfde, bestaande melodie. Maar het is mogelijk beide strofen als één lied te zingen. Chronologisch komt het wekken van de herders in “Herders op!” dan vóór de vraag “Waar, waar, waar dat kindje gezocht? Aldus kunnen we het lied als volgt (her)samenstellen:

kerstlied

Om het verhaal volledig te maken zou er nog een derde strofe moeten volgen, waarin het Kind gevonden wordt…

Het boekje “20 kerstliederen voor ons volk” (4de uitgave – 25ste duizendtal) werd uitgegeven door Liturgische Actie in Limburg, in 1950 volgens het imprimatur van L. Creusen, vicaris-generaal (11-9-50). Het was te koop bij E.H. Deneys, pastoor te Alken (Limburg), tel. 54 Alken. Gezien de oplage moet het een zeer populair boekje geweest zijn. Het bevat 20 genummerde en 3 ongenummerde kerstliederen, alle zonder partituur. Bij 15 daarvan wordt/worden de bron/bronnen vermeld. Bij lied 10 en 11 is er geen bronvermelding, maar wordt wel een zangwijze vermeld. De liederen 18, 19 en 20 (Herders op!) hebben noch bronvermelding noch zangwijze. Gelukkig vonden we die voor “Herders op!” terug bij Roger Hessel…