Gedoedel in handschrift 251

B_OB_MS251_001r_uitsnit2Handschrift  ms. 251 (Vincent van Beauvais, Speculum doctrinale) van de Openbare Bibliotheek Brugge ontstond op het einde van de 13de eeuw in Noord-Frankrijk, toen nog een deel van het graafschap Vlaanderen. De olijke drolerieën hier en daar in de marges ervan grijpen meer dan eens terug naar het dagelijkse volksleven van die tijd. De souleurs, de eenhandsfluit- en tromspeler, en de poppenkast met publiek die we al vroeger met een blogtekst vereerden, zijn enkele voorbeelden.

De doedelzak, toen nog één van de belangrijke muziekinstrumenten van de hofcultuur, mag natuurlijk in het geheel niet ontbreken. Op drie plaatsen, folio 1r, 222r en 254v, zien we afbeeldingen van dit rietinstrument. Zij zijn belangrijke iconografische bewijzen voor het bestaan, het uitzicht en de speelwijze van de doedelzak in het graafschap Vlaanderen, eind 13de eeuw.

Op fol. 1r, 222r en 254v van ms. 251 zien we telkens een doedelzakspeler in aktie. Ze staan altijd in profiel naar links of rechts. De doedelzakken zijn identiek en worden spelend afgebeeld. Ze hebben een zware, konische melodiepijp met een of twee ringen of mouluren en een eindring, en een grote klankbeker die iets naar boven lijkt te buigen. Bij twee van de drie is de schalmei bovenaan versierd met een uitgesneden gezicht (ogen, neus, mond). Vingergaten zijn niet afgebeeld, wel is de houding van de hand(en) te zien. De luchtzak, eerder klein in verhouding met de schalmei, heeft geen dierenvorm en is dus genaaid, en wordt onder de arm van de speler gehouden die naar de lezer gericht is. De hand van deze arm is de bovenste bij het spelen. Een bourdon, of brompijp, komt nog niet voor.

Voor “eén van de allereerste en vermeldenswaardige afbeeldingen van de doedelzak voor onze gewesten” verwijst Hubert Boone naar een Latijns-Frans getijdenboek (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Handschriftenkabinet nr. 9391, fol. 108v), dat rond 1300 (!) in Noord-Frankrijk (!) ontstaan zou zijn. De analogie met ons zelfs iets vroegere ms. 251 is treffend. De afbeelding van de doedelzak is volkomen identiek aan die uit ons ms. 251. Men kan zich afvragen of deze afbeeldingen een realistische weergave zijn dan wel een gestileerde vormgeving die verluchters standaard gebruikten. In het eerste geval tonen zij aan, dat de West-Europese doedelzakken niet altijd bourdons hebben gehad. Toch bestonden doedelzakbourdons al op het einde van de 13de eeuw. Dat blijkt bv. uit het zinnetje “Aten, g’irai pour le tabour / et pour le muse au grant bourdon” van een van de protagonisten uit het muziekspel “Le jeu de robin et Marion (ca. 1275) van de Noord-Franse trouvère Adam de la Halle (Arras ca. 1237 – Napels, ca. 1288), nooit verlegen om een volks element in zijn werk. Mogelijk bestonden in de ontstaansperiode van ons ms. 251 in onze gewesten doedelzakken met en zonder bourdon naast elkaar.

B_OB_MS251_001rnieuw

De doedelzakspeler onderaan fol. 1r is een kat  (H 34, B 15 mm) met gele broek, roze wambuis met halve mouwen en een rode puntkaproen met belletje. Zijn instrument is helemaal groen. Hij legt nog een aparte nuance van de doedelzak bloot. In de reeks van vier figuurtjes wordt hij voorafgegaan door een naakte man die, naar hem omziend, naar hem zwaait en tegelijk naar zijn eigen geslachtsdelen wijst. De analogie tussen fallus/scrotum en schalmei/luchtzak gaf de doedelzak mettertijd een erotische, zelfs duivelse, connotatie waarop hier onderaan de beginpagina van het handschrift schaamteloos wordt gezinspeeld. Niet toevallig is de figuur dààrvoor een gemijterde, tweepotige prelaat die, terwijl hij omziet naar de twee achter hem, zegenend of vergevend de hand uitstrekt die uit zijn wijs-neus komt. De vogel uiterst links keert zich mistroostig van het tafereel af.

De doedelzak heette bij ons niet altijd doedelzak. Een van de oudste benamingen, niet alleen in Frankrijk maar ook in het graafschap Vlaanderen, is het woord muse uit het Latijn “musa” (muziek, gezang), dat zelf evolueerde tot moezel, muizel, muzel(tje). Een latere benaming is pypsack en de Noord-Franse pendant piposa (pipe-au-sac). Meer in het binnenland ontstond de samenstelling moezelzak. In het Gruuthuse-handschrift (Brugge, ca. 1400) vinden we, in het Kerelslied, het woord cornemuse, de oudste geschreven benaming van de doedelzak voor onze regio.  Doedelzak kwam eerder recent (begin 18de eeuw) uit het Duits onze taal binnen (doedel uit het Slavische “dudai”, “dudu” en dit uit het Turkse “duduk”, blaasinstrument). Ook Waalse en Picardische benamingen als muchafou, muchosa (muse-au-sac) gaan terug op het Latijnse musa.

Literatuur over de doedelzak in onze bibliotheek :
Wim Bosmans, Traditionele muziek uit Vlaanderen. – Leuven : Davidsfonds, 2002
Hubert Boone, Wim Bosmans, Volksinstrumenten in België. – Leuven : Peeters, 1995

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: